waarom is in
Godsnaam
God in Israel
geboren
is het niet
de hoogste tijd
dat HIJ daar
 terug komt
toen de
rechtmeester
mij vrijsprak
lag ik krom   
van het
lachen
ook al zijn we
krakkemikkig
we blazen
ons partijtje
nog goed
mee
de ogen zijn
gesloten
het hart klopt
niet meer
maar nu is ze
bij de
Heer
omdat er maar een
GOD is
is HIJ enig
het leven is
als verse
sneeuw
het zal 
langzaam
ontdooien

je moet je
leven steeds
ontpellen
totdat je
zichtbaar bent
rechtmeester
ik wil liever
niets in het
honderd 
laten lopen
ook al loop
ik er al
aardig naar
toe
om
bovenaan
te komen
moet je wel
een hele lange
ladder
hebben
zonder
water
geen
leven
W A T E R
wat 
een
woord
iedereen
sterft
maar
niemand
gaat
dood
 
Westerbork

nadat de goederen wagons
zijn volgepropt
gaat de vracht
twee dagen lang oostwaarts
behalve de stank is er
van alles niets
knarsetandend
lijkt het op een
protest reis.
pas als ze op het
eindpunt zijn
aangekomen
zijn ze er 
geweest
bevrijdingsdag

door de harde wind
is op deze bevrijdingsdag
de vlag halfstok gewaaid
ik ben 
noch lief
noch slim
noch handig
maar ik doe
nog
steeds
mijn best
ik kon je lange
tenen niet ontwijken
en dat voel ik
als de rek
er uit is
is de spanning
er af
waar moet het
toch naar toe
met de natuur
ik zag vandaag
slechts een
vergeetmijnietje
vorig jaar waren
het er nog twee
het kind op de hoek
huilt moeder roept ze
moeder geeft geen antwoord
vader is onbereikbaar
ver weg
ook haar broertje
staat op de uitkijk
op de andere hoek
hij schreeuwt
vader waar ben je
ik voel geen wereld
meer

mijn
warme
maaltijd
bestaat
vandaag
uit een
koep
ijs
‘n
eendagsvlinder
schittert
z’n
leven
lang
de 
mens
soms
slechts
‘n
dag
o lieve schat
het is een jaar
geleden
dat ik je 
nog had
ik heb
rode rozen
gebracht
naar Rosenbugh
op eerste paasdag
2 0 2 1
het geluk
overstijgt
de pijn
snachts 
hebben mijn
woorden de
vrije loop
licht noch 
lawaai dringen
door
alles slaapt
in diepe donker
nachtwind laat
riet ruisen gelijk
fluisterende
tonen van twee
in elkaar opgaande
geliefden die hun
eigen lied
neuriend
verwoorden
de futuroloog
hield een gloedvol
betoog
maar ik weet niet
of alles waar is
of dat hij een beetje
loog
het is
verdrietig
als je niet
verdrietig
kunt zijn
de leegte
in mijn leven
heeft onmeetbare
vacuumruimte
die niet te
vullen zijn
ik hoor in de verte
dof tromgeluid
aan het einde van
de lange laan zie ik
een stoet
hij komt mijn 
richting uit.
omfloerst zijn
de trommen
dat hoort zo
bij zo’n 
gelegenheid

zwarte paarden
lopen voorop
gedreven door een
koetsier met een
hoge hoed
statig is het
niemand lacht
dat hoort zo
bij zo’n
gelegenheid

na “afloop” wordt
er wat gegeten
en gedronken
en gepraat
en gelachen
dat hoort zo
bij zo’n
gelegenheid
ik droom van lichte gewichten
veel lichter dan een veer
voor krachten moet ik zwichten
en waai steeds heen en weer

veel hoger dan in Manhattan
waar het V.N. gebouw staat
en blanken en zwarten jatten
geven in en hoog-boven de straat

in al die vederlichte dromen
doorklief ik de ijle lucht
en denk V.N. o wat een klucht

samen zullen we moeten dromen
over het allergrootste gewicht
dat God ons schenkt
       HET LICHT
de immense rust
die voor ons ligt
komt steeds
dichterbij
toen ik mij 
betrapte
dat ik op
mijn schaduw
trapte
barste ik 
in huilen uit
maar niet 
van de pijn
maar van het
bezit
wat je niet 
kunt 
grijpen
pas als je het
niet meer bezit
besef je pas
wat je niet meer
bezit
als alle dagen
niet alles wat
blinkt is goud
het samen zijn
wel
in duizendvoud
zou ik je willen
begroeten
maar steeds
tevergeefs
telkens zie 
ik je verder
totdat dat zelfs
niet meer is
om de hete brij
alsmaar rondjes
lopen
ik word er
dol van
de zinkende zon
in een zee vol
avondrood
opkomend
getij
het lege huis
pal naast de
lege school
en de kerk
in diepe duisternis
ben ik op zoek
naar het licht
dat overal schijnt
in het ijsblauw licht
toch nog even
je schaduw bij
zonsondergang
in de hemel
is niets aards
alles is
Hemels
als het kaarsje
is opgebrand
is het uit
met de pret
mevr. ria kletsmeier
80 jaar bij mijnheer
pastoor in de
biechtstoel
ze praat 100 uit
maar mevrouw
zegt de pastoor
hebt u dat nu nog
allemaal meegemaakt
nee mijnheer pastoor
het is al 60 jaar
geleden maar
ik praat er nog zo
graag eens over
hoeveel ruimte
neemt een ziel
in de hemel in
al is een poes nog
zo poeslief
een kat blijft een
kat
telkens op de eerste
maandag van de maand
om twaalf uur
het geluid
van
sirenes
de oorlog 
is nog niet
voorbij 
een ongeluk 
zit in een
klein hoekje
en daarom 
is er geen 
onbelangrijke
plaats
een
play-boy
is een
plee jongen
treedt niet
in de trede
die ik 
zojuist
verlaten heb
de weg is nog
ongewis
het is een
vreugde om
geĆ«motioneerd 
te zijn
lachen 
als het moet