ik kon je lange
tenen niet ontwijken
en dat voel ik
als de rek
er uit is
is de spanning
er af
waar moet het
toch naar toe
met de natuur
ik zag vandaag
slechts een
vergeetmijnietje
vorig jaar waren
het er nog twee
het kind op de hoek
huilt moeder roept ze
moeder geeft geen antwoord
vader is onbereikbaar
ver weg
ook haar broertje
staat op de uitkijk
op de andere hoek
hij schreeuwt
vader waar ben je
ik voel geen wereld
meer

mijn
warme
maaltijd
bestaat
vandaag
uit een
koep
ijs
‘n
eendagsvlinder
schittert
z’n
leven
lang
de 
mens
soms
slechts
‘n
dag
o lieve schat
het is een jaar
geleden
dat ik je 
nog had
ik heb
rode rozen
gebracht
naar Rosenbugh
op eerste paasdag
2 0 2 1
het geluk
overstijgt
de pijn
snachts 
hebben mijn
woorden de
vrije loop
licht noch 
lawaai dringen
door
alles slaapt
in diepe donker
nachtwind laat
riet ruisen gelijk
fluisterende
tonen van twee
in elkaar opgaande
geliefden die hun
eigen lied
neuriend
verwoorden
de futuroloog
hield een gloedvol
betoog
maar ik weet niet
of alles waar is
of dat hij een beetje
loog
het is
verdrietig
als je niet
verdrietig
kunt zijn
de leegte
in mijn leven
heeft onmeetbare
vacuumruimte
die niet te
vullen zijn
ik hoor in de verte
dof tromgeluid
aan het einde van
de lange laan zie ik
een stoet
hij komt mijn 
richting uit.
omfloerst zijn
de trommen
dat hoort zo
bij zo’n 
gelegenheid

zwarte paarden
lopen voorop
gedreven door een
koetsier met een
hoge hoed
statig is het
niemand lacht
dat hoort zo
bij zo’n
gelegenheid

na “afloop” wordt
er wat gegeten
en gedronken
en gepraat
en gelachen
dat hoort zo
bij zo’n
gelegenheid
ik droom van lichte gewichten
veel lichter dan een veer
voor krachten moet ik zwichten
en waai steeds heen en weer

veel hoger dan in Manhattan
waar het V.N. gebouw staat
en blanken en zwarten jatten
geven in en hoog-boven de straat

in al die vederlichte dromen
doorklief ik de ijle lucht
en denk V.N. o wat een klucht

samen zullen we moeten dromen
over het allergrootste gewicht
dat God ons schenkt
       HET LICHT
de immense rust
die voor ons ligt
komt steeds
dichterbij
toen ik mij 
betrapte
dat ik op
mijn schaduw
trapte
barste ik 
in huilen uit
maar niet 
van de pijn
maar van het
bezit
wat je niet 
kunt 
grijpen
pas als je het
niet meer bezit
besef je pas
wat je niet meer
bezit
als alle dagen
niet alles wat
blinkt is goud
het samen zijn
wel
in duizendvoud
zou ik je willen
begroeten
maar steeds
tevergeefs
telkens zie 
ik je verder
totdat dat zelfs
niet meer is
om de hete brij
alsmaar rondjes
lopen
ik word er
dol van
de zinkende zon
in een zee vol
avondrood
opkomend
getij
het lege huis
pal naast de
lege school
en de kerk
in diepe duisternis
ben ik op zoek
naar het licht
dat overal schijnt
in het ijsblauw licht
toch nog even
je schaduw bij
zonsondergang
in de hemel
is niets aards
alles is
Hemels
als het kaarsje
is opgebrand
is het uit
met de pret
mevr. ria kletsmeier
80 jaar bij mijnheer
pastoor in de
biechtstoel
ze praat 100 uit
maar mevrouw
zegt de pastoor
hebt u dat nu nog
allemaal meegemaakt
nee mijnheer pastoor
het is al 60 jaar
geleden maar
ik praat er nog zo
graag eens over
hoeveel ruimte
neemt een ziel
in de hemel in
al is een poes nog
zo poeslief
een kat blijft een
kat
telkens op de eerste
maandag van de maand
om twaalf uur
het geluid
van
sirenes
de oorlog 
is nog niet
voorbij 
een ongeluk 
zit in een
klein hoekje
en daarom 
is er geen 
onbelangrijke
plaats
een
play-boy
is een
plee jongen
treedt niet
in de trede
die ik 
zojuist
verlaten heb
de weg is nog
ongewis
het is een
vreugde om
geĆ«motioneerd 
te zijn
lachen 
als het moet
zijn het mijn woorden
die worden 
teruggekaatst
of heb ik
gedroomd
weer zal ik naar
de berg gaan
en luisteren
luisteren
tientallen mieren
ik loop ze zo
overhoop
tegen wil en dank
voor het
lieveheersbeestje
maak ik een
ommetje
wolken zijn
oplosbare koppen
winden waaien ze
tot herinnering
als de maan er
doorschijnt zijn
de hersenen
zichtbaar
donkere partijen
staan aan de
vooravond om in
huilen uit te
barsten
ik ben
om de beurt
ik
en
jij
in
een
gesprek
de schaduw
van het leven
zit gebakken
in de mens
wanneer zal het
lied van de 
eeuwigheid
gaan klinken
wanneer zijn we
in het paradijs  
kunnen we nu
nog een plaatsje
boeken naar die
ene lange reis
hoe lang nog?

eindeloos lang hou ik de wacht bij de telefoon.dadelijk gaat ie.misschien over tien tellen.ik tel zeven ..acht...negen.....ik begin alsmaar langzamer te tellen.dan,ik kan het niet meer ophouden tien.Geen telefoon.Ik maak het wat ruimer.Binnen tien minuten zal de telefoon wel rinkelen,zal er wel iemand opbellen om met mij een kletspraatje te maken.Ik maak er maar tien uur van.De kans dat binnen die tijd gebeld wordt is een stuk,stukje,groter.Ik heb een ruim hart.Ik maak er tien dagen van.Dan hebben ze wat meer tijd en dan hebben ze ook meer te vertellen.
Ik tel er al op.
Ha,de bel gaat.O,het is de huisbel
De meterstand moet worden opgenomen
Gas en Water.
Fijn dat er vandaag toch nog gebeld is.
als ik naar een 
voetbalwedstrijd
kijk
ben ik altijd voor de 
onderhond
vette olie glijdt
traag langs een
denkbeeldige 
aanlegsteiger
aan vergeten kade
waar wasvrouwen
tevergeefs wachten
op hun zeelui
zij hebben stoere
ankers op hun
bruinbehaarde
armen en lurken
aan hun pijp
ver van huis spelen
ze onder een
hoedje met hun
zeemanspet scheef
op hun kop
de was is nog
niet schoon
elk moment
nu 
is het
belangrijkste
de tijd 
daarna
missen we
misschien
hier 
de eeuwigheid is
nu
het fruit aan
de bomen
loenst om
mijn blik te
vangen
de strenge winter
heeft de waterval
bevroren ijspegels
hangen er als een
stijf gordijn van
stalactieten bij te
hangen
het besneeuwde
landschap 
volmaakt het
speelse lied
van de natuur
de eendagsvlinder
doorzichtig mooi
als gewassen zijden
ziet in de teunisbloem
die een nacht straalt
de bloem van zijn
graf
het ritme
van stilstand
en astronomische
snelheid is een beweging
in de
voortgang naar 
het volmaakste
eindpunt
het wordt tijd
dat op school
ter leering ende
vermaeck
het vak
FLIKFLOOIEN 
wordt gedoceerd